Aphrodite

In de Griekse mythologie is Aphrodite de godin van de Liefde en van de Schoonheid en werd voorgesteld als een heel mooie jonge vrouw. De Romeinse naam van Aphrodite is Venus. Haar naam betekent letterlijk: “uit het schuim geboren”. Ofschoon ze getrouwd was met de lelijke en manke god Hephaistus, was hij niet echt haar keuze maar was deze keuze haar opgelegd door de godin Hera. Ze was eigenlijk heel erg verliefd op Ares, de God van de Oorlog. Met hem kreeg ze drie kinderen: Phobus, Deimos en Harmonia. Een andere grote liefde van Aphrodite was een sterveling genaamd Adonis. Bij de geboorte van Adonis werd Aphrodite zo verliefd op hem en dat vertelde zij aan Persephone. Deze werd zelf ook verliefd op Adonis en zij ontvoerde hem en wilde hem niet teruggeven. Aphrodite deed haar beklag bij Zeus. Zo besloot Zeus dat Adonis een gedeelte van het jaar in de Onderwereld moest wonen, het andere gedeelte van het jaar bij Aphrodite op Olympos en de rest van het jaar op zichzelf. Adonis jaagde altijd op wilde zwijnen en een keer toen hij aan het jagen was, werd hij gedood door een wild zwijn. Aphrodite werd hierdoor zo verdrietig en ging opnieuw naar Zeus toe om hem te smeken Adonis vrij te laten uit de Onderwereld, daar waar de doden woonden. En opnieuw besloot Zeus dat Adonis de helft van het jaar in de Onderwereld bij Persephone moest wonen en de andere helft bij Aphrodite.

Adonis

Volgens de Griekse mythologie werd Adonis geboren uit de incestueuze liefde van de prinses Myrrha en haar vader, Cinyras. Toen Cinyras ontdekte dat hij met zijn dochter had geslapen wilde hij haar doden, maar de goden veranderden haar in een mirreboom. Na negen maanden baarde de boom een beeldschoon jongetje, Adonis. De godinnen Persephone en Aphrodite (zij was verliefd op hem) voedden hem op.

Adonis was een onverschrokken jager, die vaak roekeloos te werk ging als hij op gevaarlijk wild jaagde. Dit veroorzaakte veel onrust bij Aphrodite, die bang was dat hem iets zou overkomen.

Tevergeefs smeekte ze hem het jagen voortaan te laten en bij haar te blijven, waar hem niets kon gebeuren. Maar Adonis wist haar lachend te ontvluchten en bleef het gezelschap opzoeken van de andere mannen die gingen jagen, zodat hij zich kon blijven wijden aan zijn favoriete tijdverdrijf.

Op een dag achtervolgde Adonis een wild zwijn, een achtervolging die hem veel plezier verschafte. Toen hij het dier uiteindelijk aanviel, draaide het zich echter plotseling woedend om en doorboorde het met zijn vervaarlijke slagtand de onbeschermde dij van Adonis. Hij probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen.

Onmiddellijk kwam Aphrodite naar de plaats waar haar lieveling zo tragisch aan zijn einde was gekomen. Ze haastte zich door kreupelhout en doornstruiken, waarbij ze haar huid openhaalde aan de scherpe takken en doorns. Haar bloed kleurde de witte rozen waar ze langs kwam met een matrode tint. Toen ze aankwam op de plek des onheils, was Adonis al dood en verstijfd en haar hartstochtelijke liefkozingen werden niet langer door hem beantwoord. Aphrodite barstte toen in zo’n onstuitbare tranenvloed uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om de geliefde jongeman rouwden.

Als laatste kwam schoorvoetend Hades aan bij de droevige menigte, om de ziel van de overledene naar de onderwereld te brengen, waar hij verwelkomd zou worden door Persephone, de godin van de onderwereld. Zij zou hem naar de plaats brengen waar goede, deugdzame stervelingen voor eeuwig in gelukzaligheid verblijven, het Elysium genaamd. Aphrodite was nog altijd ontroostbaar en huilde vele, vele tranen. Zodra de tranen de grond raakten, veranderden ze in anemonen en de bloeddruppels die uit de dij van Adonis waren gevloeid en op de grond waren gevallen, groeiden uit tot prachtige rode rozen.

Aphrodite bleef echter nog altijd zo intens verdrietig, dat ze het op een gegeven moment niet meer kon verdragen. Ze ging naar de Olympus, waar ze aan de voeten van Zeus neerviel en hem smeekte Adonis los te maken uit de omhelzing van de dood, of haar toe te staan zijn lot in de onderwereld te delen.

Het was onmogelijk de godin van de schoonheid toe te staan de aarde te verlaten en naar de onderwereld te gaan, maar Zeus kon er ook niet tegen haar zo te horen smeken. Hij besloot daarom dat Adonis uit de onderwereld zou worden teruggeroepen, zodat Aphrodite hem weer bij zich kon hebben. Maar Hades had de zeggenschap over Adonis, want de onderwereld was zijn rijk en hij weigerde hem te laten gaan. Na een langdurige discussie tussen Zeus en Hades werd een regeling getroffen. Adonis mocht de ene helft van het jaar op aarde doorbrengen en moest voor de andere helft terugkeren naar het Elysium.

Aan het begin van de lente verliet Adonis de onderwereld en zo snel hij kon ging hij naar zijn geliefde Aphrodite. Overal waar hij zijn voetstappen zette, ontloken de bloemen en begonnen de vogels te fluiten om te laten zien hoe blij ze waren met zijn komst. Zo werd Adonis het symbool van de plantengroei, die elke lente uit de bodem omhoog komt en de aarde bedekt met prachtige bladeren en bloemen en die de vogels doet fluiten. In de herfst keerde Adonis met tegenzin terug naar de onderwereld, want dan kwam het wrede wilde zwijn van de winter weer om hem met zijn slagtand te doorboren en de natuur te doen verdorren. En elk jaar in de herfst huilde de natuur om zijn vertrek.

Tegenwoordig wordt met adonis verwezen naar een mooie jongen of een knappe gespierde man, zoals bijvoorbeeld te zien is aan de Griekse standbeelden uit de tijd van de eerste Olympische Spelen.